De basis voor een correctie positie op de fiets is het precies en nauwkeurig nemen van een aantal lichaamsmaten. Cyclefit gebruikt een aantal specifieke gereedschappen om de maten op een correcte en eenduidige wijze te bepalen.

Het meest belangrijke stuk gereedschap is de zogenaamde kruishoogtemeter, deze meet de binnenbeenlengte. Hoewel er een aantal andere manieren bestaan is de Cyclefit kruishoogtemeter als 1 van de weinige systemen 100% consistent, dit komt doordat er gebruik wordt gemaakt van luchtdruk voor de bepaling van deze maat.Hierdoor is de druk die wordt uitgeoefend elke keer het zelfde en zit er dus geen variatie in de meting als gevolg van het zetten van meer of minder kracht.

Een Cyclefit meting bestaat uit 6 maatbepalingen

1. Kruishoogte

De kruishoogte ook wel binnenbeenlengte genoemd, wordt gemeten vanaf de grond tot aan de onderkant van het kruis (het schaambeen).
De fietser plaats zich, zonder schoenen, rechtop schrijlings over de Cyclefit kruishoogtemeter.
De voeten worden aan weerszijden tegen de onderbouw van de kruismaat geplaatst.
Nadat de kruishoogtemeter op druk is gebracht kan de kruishoogte worden afgelezen.
De juiste druk is bereikt wanneer tijdens het pompen de kruishoogtemeter niet meer omhoog gaat.

2. Dijbeenlengte

 De fietser neemt plaats op het Cyclefit-krukje voor het meten van de lengte van dijbeen en romp.
Voor deze 2 metingen wordt de Cyclefit schuifmaat in positie A (met rond hulpstuk) gebruikt.
De lengte van het dijbeen wordt bepaald door de afstand te meten tussen de muur en de voorkant van de knie.
Let erop dat het zitvlak, althans het onderste deel van de ruggengraat (heiligbeen) strak tegen de muur is gedrukt.
De hoek tussen het horizontale bovenbeen en onderbeen moet ongeveer 90 graden bedragen.
Denk eraan dat de bovenbenen recht vooruit en evenwijdig aan elkaar zijn geplaatst.

3. Romplengte

De romplengte wordt bepaald door de afstand te meten tussen de zitting van het krukje en het punt (kuiltje) waar de twee sleutelbenen met het borstbeen samenkomen.
Let erop dat de rug recht en strak tegen de muur is geplaatst.
De schouders mogen daarbij niet worden opgetrokken; de borstkas dient ontspannen te zijn

4. Armlengte

Voor het meten van de armlengte, schouderbreedte en voetlengte staat de fietser rechtop.
De driemetingen worden verricht met de Cyclefit schuifmaat in positie B (met de 2 haken).
Bij het meten van de armlengte staat de fietser met gestrekte arm langs het lichaam.
De vuist is gebald en de schouder ontspannen.
De rug van de hand (vuist) en de arm moeten een rechte lijn vormen.
De lengte van de arm is de bovenkant van het schouderdak (het harde deel bovenop de schouder) en de (rechtse) onderkant van de gebalde vuist.

5. Schouderbreedte

 De schouderbreedte wordt gemeten door de afstand te bepalen tussen de buitenzijden van de schouders.
De armen en schouders dienen ontspannen te hangen

5. Voetlengte

Tenslotte wordt de voetlengte gemeten.
Dit is de afstand tussen de achterkant van de hiel (het hielbeen) en de voorkant van de langste teen.
De fietser dient te staan!
Het valt aan te raden beide voeten te meten en, in het geval van verschil de grootste voetlengte in te voeren

Naast deze lichaamsmaten worden voor elke meting een aantal andere variabelen ingegeven, het gaat dan om, geslacht, soort fiets, niveau, pedaalsysteem, dikte van de zool van de schoen, lengte van het zadel, vorm van het stuurt en soort remhendels. Al deze informatie samen wordt verwerkt tot een duidelijk en eenduidig advies.